Bang in het donker

Mijn peuter slaapt net een half uur als ze moet hoesten en dan meteen gaat huilen. Omdat ze ook meteen weer stopt kijk ik het nog even aan. Maar als ze een minuut later wéér gaat hoesten en huilen loop ik toch naar boven.
Haar huilen zwelt in een paar seconden aan tot krijsen. Ze huilt zó hard dat ik niet wist dat het kon.
Ze ligt in bed als een plank. Het ziet er zo naar uit! Ik til haar meteen op. Ze blijft door huilen. Krijsen. Zó hard!

Ze verslikt zich. En weer. En weer. Ik vraag of ze wat wil drinken.
‘Jahaaa!’, huilt ze.
Ze blijft echter zo hard huilen dat drinken niet lukt. En ze huilt zo hard dat ze zich blijft verslikken en de paniek alleen maar toeneemt.

‘Oké, nu moet je even stoppen en rustig worden! Nu eerst even rustig worden!’
Ik hoor hoe het niet lief klinkt, maar ze zegt: ‘Oké!’, en stopt bijna meteen met huilen.
Ik neem haar mee naar haar kamertje en ga met haar op haar bankje zitten. Haar angstige ogen worden al snel minder en ik vraag wat er gebeurt is. ‘Je moest hoesten, en toen?’
‘Ik was bang!’
Bang? Ken jij het woord bang? Waarom? Dat wil ik niet!
Oké, je bent bang. Dat is naar! Hoe komt het dat je bang bent? Waar ben je bang voor?
‘De deur.’
De deur? Waarom dan?
‘Omdat je de deur dicht deed.’
Ik heb de deur altijd op een brede kier, maar dat vind je niet fijn? Ik doe dat omdat ik bang ben dat je anders last hebt van het licht in de gang.
Ze wil de deur helemaal open.
‘Moet ik het licht dan uit doen?’
‘Ja!’
‘Echt?’
‘Ja.’

Ik slik.
Ik weet niet of ik dat kan.
Het licht bij ons in de gang mocht vroeger nooit aan blijven. Ook niet toen ik bang was. Ook niet toen ik heel bang was. Ook niet toen ik zo bang was dat ik ging hyperventileren.
Hoe kan ik nou het licht in de gang uít doen voor mijn meisje?

Ik zeg dat het goed is. En dat, als het toch te donker is, ze me maar moet roepen, dan doe ik het licht metéén weer aan.
Ze vindt het goed.
Ik blijf bij haar tot ze slaapt. En als ik daarna het licht uit doe op de gang en het zó donker is, bedenk ik dat ik ook het licht in een ander kamertje aan kan laten. Dan komt er toch nog iets licht naar binnen.
Mijn kindje blij, het kind in mij ook blij.
Zucht.

Slaap lekker lief.

Ik heb gewonnen!

Het leven is een wedstrijd. Dat voel ík al, maar mijn kind is er op haar manier mee bezig.
‘Wie het eerst bij de auto is!’ / ‘Wie het eerst de jas aan heeft!’ / ‘Wie het eerst aan de andere kant van het zwembad is op blote voeten!’ (Wacht, stop, nee!)
Mijn kind wint alle actiewedstrijden en dat geeft een blij meisje (en dus een blije mama). Ik vind het prima om haar te laten winnen door wat minder hard mijn best te doen, maar een geluksspelletje ga ik niet saboteren. Als ik dat win, dan heb ik gewonnen. Sorry schat!

Peuter is hels not amused en dat lijkt elke verloren wedstrijd erger te worden. Was het eerst nog vooral verbazing (Huh? Heb ik, knapste prinses van het land, verloren? Hoe dan? Er moet een fout gemaakt zijn!), nu komt de stoom nog net niet uit haar oren en kan ze het bijna niet meer verdragen.
Ik zie de eerste tekenen van vals spelen al doorschemeren en soms roept ze dat ze wél gewonnen heeft als ze keihard heeft verloren.
Als de dobbelsteen niet vanaf nú gaat doen wat zij wil, voorzie ik binnenkort demonische driftbuien.

Ik probeer met haar mee te leven, soms doe ik er juist luchtig over, soms leid ik haar af en vaak zeg ik dat de verliezer de winnaar is van een dikke knuffel (die ze aanvaard mits ik ook kietel).
Ik zou het haar zo gunnen om met alles te winnen, maar ja, iets met ‘later’.

Ze heeft een gigantische drive. Ze houdt enorm van grof motorische activiteiten. Ze kan honderd keer een koprol doen tot het lukt.
Ze oefent van zonsopgang tot zonsondergang tot ze ein-de-lijk kan hinkelen.
Ze is bereid duizend keer te vallen als ze weet dat de 1001e keer het haar vast gaat lukken (want mama kan het ook, dus hoe moeilijk kan het dan zijn?).
Maar ja, weten dat het je waarschijnlijk óóit gaat lukken is echt anders dan heel erg je best doen om die dobbelsteen goed te gooien en toch keihard te verliezen.
Vier keer achter elkaar.
En dan ook nog van mama!

Ze krast als een bezetene haar kleurplaat vol. Haar vriendinnetje heeft nog maar een paar streepjes gezet.
‘Wie het eerste de kleurplaat af heeft!’ *kras* ‘Ik heb gewonnen!’

Ze verliest twee keer van mij met Nijntjes Bonte Ballonnen. Ze zet haar handen in haar zij en kijkt me heel vies aan. ‘Volgende keer win ik, oké?’, zegt ze dreigend.
Ja, ze gooit de ballonnen door de kamer, maar ze speelt het spel wél nog een keer, en nóg een keer, want winnen zal ze!

Je komt er wel, kleine doorzetter van me! Maar ik hoop dat je me weet te vinden als je later (veeeeel later!) in het leven af en toe niet zoveel succes hebt als je wilt en verdiend. Ik ben hier om je te knuffelen!
(en desgewenst te kietelen)

Mijn kind leeft in het NU

Mijn kind leeft in het nu. Ze laat alle termen voor tijdsaanduiding links liggen. Ze gebruikt alleen de term ‘môgguh’, maar dat kan naast ‘morgen’ ook ‘gisteren’ of ‘zojuist’ of ‘drie maanden geleden’ of ‘over twee weken’ betekenen.

Als ik vraag: ‘Zullen we volgende week naar het theater gaan?’, roept ze: ‘JA! Nu?’
‘Nee, over zes nachtjes slapen is een leuke voorstelling.’
Weg is ze. Boos.

‘Je bent morgen jarig!’
‘Ja? Nu?’, vraagt ze enthousiast.
‘Nee, nog één nachtje slapen.’
Weg. Niét interessant dat ze morgen jarig is. Ze is het niet nú immers, dus wat doet het er dan toe?

Ik zou heel graag wat van haar levensvisie over nemen en hoop dat ze nog heel lang in deze fase mag blijven zitten.

Op zoek naar nieuwe dromen

Cliché maar waar: ik hou van niemand zoveel als van mijn dochter. Het scheelde maar weinig of ik had haar nooit gekregen en ik ben verschrikkelijk dankbaar dat ze er toch is. Ik ben zó verliefd op dat kleine lieve meisje!
Maar.
Ik vind (alleenstaand) moederschap een enorme sneltrein. Ik heb er moeite mee om tijd te pakken om stil te staan en te zien wat ik heb. Er moet continu zoveel. Huishouden (en dat doe ik al amper), spelen en dingen ondernemen met mijn peuter. Boodschappen. Het continue opruimen. Vragen en verzoeken van mijn peuter die de Zellufdoen-fase achter zich heeft gelaten en wil dat ik weer alles voor haar doe. En dat doe ik soms ook, omdat ik weet dat de dag nog lang is en ik nog vijfduizend andere battles tegen zal komen.

Er lag gisteren sneeuw. Ik werd er gewoon boos over: ook dat nog! Word ik ook nog verplicht om mee naar buiten te gaan! Moeten we ook nog sleeën! En vast óók nog een sneeuwpop maken! Ik wil het niet!

Ik schreef er iets over op social media en kreeg een reactie dat je nou eenmaal niet alles leuk kunt vinden.
Ik realiseerde me dat ik even weinig leuk vind aan het moederschap (behalve dan duizendtriljoen kusjes en knuffels geven!). Alles is me al snel teveel en te zwaar. Bij een vraag van mijn kind denk ik regelmatig: wat is er nú weer? Wat moet ik nú weer voor je doen?
Vreselijk ja, dat vind ik ook.

Afgelopen jaren ben ik mezelf een beetje kwijt geraakt. Wat ik wil, lijkt niet meer belangrijk. Maar als het wel belangrijk is,… wat wíl ik dan eigenlijk?
Niet zo lang voor ik zwanger werd was ik depressief omdat er van alles in mijn leven mislukte. Een van de grootste desillusies was het moeten stoppen met een opleiding die ik heel leuk vond. De kater zit er nog steeds. Wat ik graag wilde is niet gelukt. Waar ik echt gelukkig van werd is mislukt.
Ik moet weer nieuwe dromen gaan ontwikkelen, maar ik vind het lastig om daar tijd en rust voor te vinden. Overdag is er altijd de afleidende peuter, ’s avonds ben ik te moe en slaap ik vaak vroeg.

Maar eerlijk is eerlijk: ik durf het ook niet goed. Nieuwe dromen maken betekent immers ook nieuwe kansen op mislukken. En bij die gedachte alleen al,…