Vaderdag

Al vanaf dat mijn kind baby is, vertel ik haar dat ze misschien geen vader heeft, maar dat er wel een man is die mee heeft geholpen om haar er te laten zijn en dat ik hem daarvoor héél dankbaar ben. De verhalen daarover kwamen altijd spontaan en makkelijk, tot het moment dat ze er een keer zelf iets over vroeg. ‘Ik heb geen papa hè?! Waarom eigenlijk niet?’ Toen moest ik ineens heel erg naar woorden zoeken.

Vandaag, Vaderdag, vond ik het weer een dag om er zelf over te beginnen. Ik vertelde kort waarom ze geen vader heeft en eindigde met de vraag: ‘Vind je het jammer dat je geen papa hebt? Of is het wel oké, samen met mama?’
Stralend riep ze: ‘Oké!’, en met een grote glimlach gaf ze me een ontzettend stevige knuffel.

Ik heb zo’n geweldig kind op de wereld gezet, die ‘vader’ van haar moet wel een fantastische man zijn!!

 

 

P.S.: Vorig jaar schreef ik er dit blog over: Prinsendag.

Powervrouw

Er was laatst een discussie op Facebook over de term Powervrouw. Ben je als alleenstaande moeder automatisch een powervrouw? Ik heb er geen universeel antwoord op, maar ik kan je wel zeggen dat ik me nooit geïdentificeerd heb met die term, tót vandaag!

Ik moest al weken een lampje ophangen op de kamer van mijn peutermeisje. Ik zag er een beetje tegenop om door de betonnen muur te moeten boren, dus ik had het lang uitgesteld (sorry peuter!), maar ik dééd het!

  • Ik settelde peuter voor de tv, zodat die niet elke vijf seconden zou vragen of het lampje al hing.
  • Ik zocht alle benodigdheden bij elkaar, onder andere de hamerboor. Voordeel van al 27 jaar op mezelf wonen en ook geen vooruitzicht hebben dat er ooit een man in huis komt die dit soort powertools meebrengt (maar aan de andere kant: nee, echt niet alle potten hebben dit soort dingen in huis! 😉 )
  • Drie gaten boren voor een kinderlampje? Pfuh! Dat kan natuurlijk makkelijk met twee!
  • O, toch niet alle benodigdheden bij elkaar gezocht –> weer naar zolder waar alle gereedschap ligt (en dat 6 keer) (oké 12 keer)
  • Peuter ophalen om te vragen waar ze hem precies wil (en om te vragen of zij hem even vasthoudt, zodat ik van een afstandje kan zien of dat goed staat)
  • Peuter weer ver weg sturen zodat ze geen last zal hebben van het lawaai
  • Ik pakte er een waterpas bij! (alleen al de intentie hebben om iets waterpas op te hangen maakt dat ik mezelf een high five wil geven)
  • Twee gaten waren zo geboord. Ik voelde me de beste moeder op Vaderdag die je je kunt bedenken.
  • Aan twee schroeven hing de lamp toch wel heel wiebelig (Ja heidi, mevrouw Ikea weet vast wel wat ze ontwerpt!) –> Lamp er maar weer af
  • Shit, accu van de schroefboormachine leeg. Wachten tot die is opgeladen en ik de schroefjes er weer uit kan halen *oogrol*
  • Derde gat boren gaat ineens dramatisch: boor schiet weg en naast dat het gat heel groot wordt, wordt het ook haast onmogelijk om nog een gat op de juiste plek te boren
  • Met een ander boortje en een hamer op de juiste plek in het grote gat een dieper gat beitelen zodat de boor daar in schiet
  • Werkt voor geen meter, maar ik blijf gewoon boren en er zit een derde gat in de muur
  • Gat blijkt precies op de juiste plek te zitten!
  • O ja, nu heb ik een derde plugje nodig –> weer naar zolder
  • Weer beneden: O ja, natuurlijk ook een schroefje *oogrol nummer 879*
  • Lamp hangt!
  • Lamp doet het!
  • Ik ruim alle spullen op en mis een boortje. Nergens te vinden. Die is dus nog steeds ergens in de kamer van peuter
  • Roep peuter om te vragen wat ze er van vindt. Die gaat meteen spelen met speelgoed wat ik onder haar bed vandaan had gehaald om er bij te kunnen zonder te kijken naar de lamp.

Ik heb een waterpas gebruikt (zegt helaas niets over het waterpas hangen, maar het is een halve maan, dus wie ziet het!?) én een hamerboor! Sterker nog, ik heb ze in mijn bezit én ik gebruikte ze op Vaderdag! IK BEN EEN MEGAPOWERVROUW!

Kamperen met de peuter

‘Verkansie!’ Vijf nachten kamperen. De mama had er zin in. En de peuter helemaal. Maar als alleenstaande mama bleek de reis en het alleen opzetten van de tent niet de grootste uitdaging.

  • Peuter roept: ‘Dit wordt te gek!’
  • Peuter leeft zich uit op trampolines en op haar loopfiets, maar nooit zonder mama die mee moet spelen
  • De mama heeft al na de tweede keer de tent in kruipen rugpijn
  • Peuter vraagt of het eten al klaar is
  • Peuter vraagt opnieuw of het eten al klaar is
  • Peuter vraagt of ik al klaar ben met eten maken
  • Peuter lust het eten niet
  • Waar ligt…? *insert zo’n beetje alles wat je nodig hebt*
  • Peuter moet plassen terwijl we net langs de wc’s liepen
  • Peuter noemt het ‘kramperen’ en de mama geeft haar groot gelijk, dus verbetert haar niet
  • Er ligt een dode vlieg in bed
  • Peuter kan voor het eerst aandachtig genoeg luisteren naar een echt voorleesboek: Pluk van de Petteflet ♥♥♥
  • We liggen op ijs een heel dik luchtbed
  • Dat luchtbed moet net als peuter slaapt toch eigenlijk wat meer opgepompt worden
  • De mama moet ’s nachts naar de wc. Afspraak met peuter was dat ze mee wilde, maar ze wil niet mee
  • Net als ik voorzichtig wegloop gilt ze toch in paniek dat ze mee wil
  • Peuter slaapt twee uur later dan normaal
  • Peuter wordt een half uur eerder wakker dan normaal
  • 07:00 uur: Peuter wil een ijsje. ‘Je mag vanmiddag een ijsje.’ ‘MAAR IK ZEG TOCH DAT IK NÚ EEN IJSJE WIL!’
  • Twee mensen insmeren en de dag is alweer bijna om
  • Ik draag twee zware tassen met onder andere speelgoed voor in het zand, een strandtentje, een vlieger, eten en drinken, zonnebrand en nog duizend dingen
  • Peuter draagt een gieter
  • Klagen dat de gieter zo zwaar is in drie, twee, een,…
  • Op het strand blijkt het te warm te zijn
  • En de zee nog steeds te eng
  • ‘Wil je nog een slok sinaasappelsap?’ ‘Nee’. Oké, dan drink ik het op. ‘Weeeh, ik wilde ook nog een slok!’
  • Peuter wil niet meer terug lopen
  • ‘Mama, zullen we doodje spelen?’
  • Peuter is boos dat ze zo lang moet wachten tot ik klaar ben met… dingen zoeken, koken, afwassen,… alle dingen waar ik normaal Zen van zou worden tijdens kamperen omdat ik me zou overgeven aan de traagheid ervan
  • ‘Mama kom je nog?’
  • We hebben alle ingrediënten mee om pannenkoeken te bakken, maar niets voor erop. We kopen in overleg poedersuiker
  • Peuter vraagt of de pannenkoeken al klaar zijn
  • ‘Kunnen we al eten?’
  • ‘Zijn de pannenkoeken nu dan klaar?’
  • ‘Mag ik al een pannenkoek?’
  • Peuter wil helemaal geen suiker op haar pannenkoek, maar stroop.
  • Het luchtbed moet weer opgepompt worden
  • Er ligt een kapotte schelp in bed
  • ‘Vind je het hier leuk?’ ‘Ja.’ ‘Wat vind je het leukst?’ ‘De Julianatoren.’
  • ‘Mama jij bent dood, oké?’
  • Muggenbeet zestriljoen ontdekt
  • De mama begint te fantaseren over eerder naar huis gaan
  • Peuter ontdekt dat mama opschiet als ze zegt dat ze heel erg nodig moet plassen
  • Peuter ontdekt dat het niet meer werkt dat mama opschiet als ze zegt dat ze heel erg nodig moet plassen
  • We eten ‘tatjes’
  • We eten ijsje nummer achttien
  • De mama twijfelt of de uitdrukking: ‘Kind blij? mama blij!’ wel echt klopt
  • Stil zijn als je om kwart over vijf wakker bent vindt de peuter nog best wel een beetje moeilijk
  • We zijn twee uur onderweg naar het strand (wat op loopafstand ligt) omdat we eerst elke speeltuin af moeten
  • Op het strand blijkt een ijskoude wind te staan
  • Peuter roept dat ze naar huis wil omdat ze Het Zandkasteel wil kijken.
  • Mama zegt hoopvol dat we eventueel vanavond wel naar huis kunnen…?
  • Peuter zegt dat ze het laatste nachtje hier ook nog wil blijven
  • ‘Zal ik jouw haar kammen mama, want ik ben daar het beste in!’
  • We ontmoeten een meisje van 22 die zegt over 3 jaar kinderen te willen. ‘Maar eerst een vent!’ Ik zeg: ‘Dat is niet perse nodig hoor!’ en wijs op mijn peuter, terwijl ik nee schud. We laten haar in shock achter.
  • We eten weer een patatje omdat de mama al hysterisch wordt bij het idee dat peuterlief dertig minuten onafgebroken gaat vragen of het eten al klaar is
  • Peuter slaapt bijna maar mama mompelt: ‘Shit, tandjes vergeten!’ Waarom zei ik dit hardop? En waarom heb ik zo’n braaf kind?
  • We slapen weer amper omdat het te koud is en een dekbed en drie slaapzakken onder en boven het luchtbed niet veel verschil maken
  • Peuter speelt al om half zeven in de speeltuin
  • In pyjama
  • Ik heb al dagen met niemand anders dan mijn kind gepraat en probeer een gesprekje aan te knopen met een Duits kindje. Ik vraag hoe hij heet. ‘Wààààs??’ schreeuwt hij terwijl hij me verschrikt aankijkt.
  • Ik twijfel of ik per ongeluk de Zweedse vertaling aan had gezet in mijn hoofd
  • Poging twee met een ander jongetje eindigt ook in een gillend wegrennend kind, dus ik geef het op
  • Peuter wil nog steeds niet door de branding lopen
  • Mama mag dat dus ook niet doen, op straffe van heel hard huilen.
  • Het blijkt dat we liggend kunnen vliegeren. Dit maakt ons beide heel erg Zennnn
  • Peuter schreeuwt dat ze niet terug wil naar de tent
  • Alle afwas bij elkaar gezocht, het eerste stuk afwas gaat net richting warm water of peuter vraagt of ik al klaar ben
  • Mama is instant hysterisch en zet peuter resoluut buiten met de woorden: ‘IK BEN JE ENTERTAINER NIET!’
  • Peuter duwt een krijsend gezicht tegen het raam naast de openstaande glazen deuren
  • ‘Ga maar een rondje fietsen met je loopfiets!’. Doet ze.
  • Twaalf seconden later valt ze
  • ‘Flikker maar op met je afwas!’, denkt de mama. ‘Ik ga mijn kind heel hard knuffelen en ik laat haar niet meer los tot het winter is!’

 

 

 

Pijn!

Ik vond peuter tot kort geleden altijd een bikkel. Ze weet goed wat ze wil en als ze zich onderweg naar haar doel pijn deed, dan was dat niet zo belangrijk. Dóór, voor het doel wegloopt!

Als ze een keer echt viel, dan moest ze natuurlijk wel huilen, maar dan hielp het haar heel goed om te vertellen wat er was gebeurt: ‘Je deed dit, toen gebeurde er dat, je viel zo, en nu heb je hier pijn.’ Oké helder mama, ik ga weer spelen! En weg was ze.
Ze kon zo’n bikkel zijn dat mensen wel eens zeiden: ‘Och arm kind, alsof ze denkt dat ze niet mág huilen.’
Nou mensen, reken maar dat ze haar huilbundel echt wel aan andere dingen opmaakt en dat ik elke maand extra huiltegoed opwaardeer, maak je geen zorgen!

Sinds kort is het woord ‘bikkel’ echter uit haar woordenboek geschrapt. Mijn peuter heeft de hele dag door ‘pijijijn’:

  • Als ze een (voor mij onzichtbaar) plekje op haar arm ziet: ‘Mama! ik heb pijijijn!’
  • Als ik haar per ongeluk aanraak: ‘Je botst op mij! Ik heb pijijijn!’
  • Als ze drie weken geleden is gevallen en ze heel erg zoekt naar resten van de schaafwond: ‘Ik heb pijijijn!’
  • Als ze expres valt. In de woonkamer. Op een kussen. Vijftien keer achter elkaar: ‘Ik heb pijijijn!’
  • Uit het niets: ‘Ik heb me gestooooootuh! Ik heb PIJIJIJN!’ ‘Waar heb je je aan gestoten?’ ‘Dááraan!’ ‘Je bent daar niet eens in de búúrt geweest!’

De ene pijn is wat gruwelijker dan de ander: Soms komt ze het me verongelijkt vertellen: ‘Ik heb pijn!’ Hoe durft de pijn mij pijn te doen!
Soms valt ze uit het niets op de grond: ‘Ik kan niet meer looooooopuh!’, kijkt ze erbij alsof ze echt spontaan haar benen heeft gebroken en weigert op te staan.
Soms heeft ze ineens pijn in haar kniezel (als u het weet, mag u het me vertellen!).
Altijd moet ze lachen als ik vraag of ze niet ook heel erg pijn heeft in haar haar. Of in haar nagels. ‘Natuurlijk niet mama! Dat doet toch geen pijn! Gekke mama!’
En natuurlijk, af en toe, doet ze zich écht heel erg pijn. En dan ben ik nog helemaal niet klaar met haar vasthouden, maar dan is ze zo weg.

Haar opa roept bij de naarste val of stoot altijd na een seconde huilen: ‘Zo, klaar! Over!’
Haar opa, mijn vader. Je weet dus wel ongeveer hoe ik ben opgegroeid. Dat wil ik niet doorgeven, dus ik probeer elk pijntje serieus te nemen. Dat varieert van die stevige knuffel en haar nooit meer willen loslaten tot een: ‘Ach meisje toch’ en een aai over haar bol omdat ik haar maar lichtjes aanraakte toen ik langs haar liep.

Beetje lastig wordt het nu ze op mijn lichaam ook naar plekjes en vlekjes speurt en dan helemaal in shock roept: ‘O mama! Je hebt pijn!’. ‘Nee hoor, dat doet geen pijn!’ ‘Maar je hebt bloed!’ Ja, ik heb gelukkig bloed. Ín mijn lichaam.
‘Nee hoor, dat gaat vanzelf weer over!’

De pleisters zijn hier niet aan te slepen maar die leveren natuurlijk ook weer helse pijnen op als ze er af moeten.
Maar prima: als je pijn hebt en je wilt medeleven: ik ben er!

Deze fase duurt echter al minstens zes weken en ik moet eerlijk bekennen dat 50 ‘gruwelijke’ pijnmomenten op een dag me wel een beetje veel zijn en dat ik rond oninvoelbare pijn nummer 15 (nog voor negen uur ’s ochtends) al de neiging heb om met mijn ogen te rollen. En helaas is het ook zo dat als pijn nummer triljoenzesentwintig (net als ik wil dat ze gaat slapen) echt pijn doet, ik het medeleven wel een beetje bij elkaar moet schrapen.
Ik probeer mijn best te blijven doen. Deze fase zal ook wel zijn nut hebben en ik hoop vooral dat ze opgroeit met een empathisch hart.

Ik vrees dat we er nog niet helemaal zijn…
Ik was aan de telefoon en vergat weer eens totáál dat ik een dochter heb die helse pijnen lijdt en medeleven behoeft.
Ze maakte me dat kenbaar door aan mijn oren te trekken.
‘Wil je dat niet doen, dat doet pijn!’, zei ik.
‘Gaat vanzelf wel weer over mama!’

Bang in het donker

Mijn peuter slaapt net een half uur als ze moet hoesten en dan meteen gaat huilen. Omdat ze ook meteen weer stopt kijk ik het nog even aan. Maar als ze een minuut later wéér gaat hoesten en huilen loop ik toch naar boven.
Haar huilen zwelt in een paar seconden aan tot krijsen. Ze huilt zó hard dat ik niet wist dat het kon.
Ze ligt in bed als een plank. Het ziet er zo naar uit! Ik til haar meteen op. Ze blijft door huilen. Krijsen. Zó hard!

Ze verslikt zich. En weer. En weer. Ik vraag of ze wat wil drinken.
‘Jahaaa!’, huilt ze.
Ze blijft echter zo hard huilen dat drinken niet lukt. En ze huilt zo hard dat ze zich blijft verslikken en de paniek alleen maar toeneemt.

‘Oké, nu moet je even stoppen en rustig worden! Nu eerst even rustig worden!’
Ik hoor hoe het niet lief klinkt, maar ze zegt: ‘Oké!’, en stopt bijna meteen met huilen.
Ik neem haar mee naar haar kamertje en ga met haar op haar bankje zitten. Haar angstige ogen worden al snel minder en ik vraag wat er gebeurt is. ‘Je moest hoesten, en toen?’
‘Ik was bang!’
Bang? Ken jij het woord bang? Waarom? Dat wil ik niet!
Oké, je bent bang. Dat is naar! Hoe komt het dat je bang bent? Waar ben je bang voor?
‘De deur.’
De deur? Waarom dan?
‘Omdat je de deur dicht deed.’
Ik heb de deur altijd op een brede kier, maar dat vind je niet fijn? Ik doe dat omdat ik bang ben dat je anders last hebt van het licht in de gang.
Ze wil de deur helemaal open.
‘Moet ik het licht dan uit doen?’
‘Ja!’
‘Echt?’
‘Ja.’

Ik slik.
Ik weet niet of ik dat kan.
Het licht bij ons in de gang mocht vroeger nooit aan blijven. Ook niet toen ik bang was. Ook niet toen ik heel bang was. Ook niet toen ik zo bang was dat ik ging hyperventileren.
Hoe kan ik nou het licht in de gang uít doen voor mijn meisje?

Ik zeg dat het goed is. En dat, als het toch te donker is, ze me maar moet roepen, dan doe ik het licht metéén weer aan.
Ze vindt het goed.
Ik blijf bij haar tot ze slaapt. En als ik daarna het licht uit doe op de gang en het zó donker is, bedenk ik dat ik ook het licht in een ander kamertje aan kan laten. Dan komt er toch nog iets licht naar binnen.
Mijn kindje blij, het kind in mij ook blij.
Zucht.

Slaap lekker lief.